Schooluitval: waardoor en bij wie?

Dit is deel 2 van een serie over ontstaan, reparatie en voorkómen van afhaken, onderpresteren en schooluitval. Ik maak de balans op van 6 jaar Wijkunnenmeer. Ik beschrijf wat wij in ons dagelijks werk zien gebeuren wanneer kinderen op school afhaken en gaan onderpresteren.

Deel 1 van deze serie beschreef hoe het vanaf de kleuterklas mis kan lopen op school. Een leerling die school maar saai vindt, ervaart de lessen als één groot moeten. Hij/zij voelt zich niet gezien en raakt gedemotiveerd. Als deze leerling zich dan ‘opvallend’ gaat gedragen, belandt hij/zij vaak in de Jeugdzorg. Een oorspronkelijk schoolprobleem wordt dan via de Jeugdzorg opgelost. Dit artikel gaat over de vraag waardoor dit schoolprobleem nu precies ontstaat en bij wie.

4 factoren waardoor het kan mislopen op school

Volgens onze ervaring gaat het vaak al met jonge kinderen mis op de basisschool: vanaf de kleuterklas. 4 factoren spelen onzes inziens hierbij een rol. Die factoren komen vaak samen. Juist die stapeling is vaak funest: alle factoren samen leiden tot demotivatie en eventueel zelfs tot totaal afhaken. 

Factor 1

Er is te veel onveiligheid in de klas:

  1. De pedagogische aanpak is soms niet adequaat: een onderwijsgevende komt (per ongeluk) te hard/autoritair uit de hoek (zonder excuses te maken); dit wordt door de betreffende leerling als niet-respectvol en dus onveilig ervaren. Respect is 1 van de psychologische basisbehoeften van alle mensen.1
  2. Er wordt nog steeds te weinig opgetreden tegen pesten (pesten = geen respect tonen). Onlangs was nog in het nieuws dat meer dan de helft van kinderen van 9 – 13 jaar wordt gepest, vaak buiten het zicht van de onderwijsgevende.2
  3. Onderwijsgevenden bieden soms te weinig structuur en/of stellen te weinig eisen. Overigens: hierbij is het natuurlijk balanceren tussen structuur bieden en een andere basisbehoefte van leerlingen, de behoefte aan autonomie. Autonomie is een basisbehoefte niet alleen van hoogbegaafden, maar van alle kinderen/jongeren en volwassenen, en het is hoe dan ook nodig, (ook) die te respecteren.
  4. De ‘rode pen’. Nog steeds wordt fouten maken te weinig aangemoedigd en er wordt veel getoetst, waarbij fouten worden aangestreept. Fouten maken (en daarvan leren) voelt voor leerlingen nog steeds in hoge mate onveilig. Formatief toetsen (dat is toetsen om te kijken hoe ver het leerproces is gevorderd) is nog niet voldoende ingeburgerd.3
  5. Het onderwijs is te weinig top-down georganiseerd. Dit hebben niet alleen hoogbegaafden nodig, maar veel meer leerlingen (zie onder). Deze leerlingen willen veelal om te beginnen antwoord op deze (inzoomende) vragen:
    • Waarom ben ik hier (in deze onveilige situatie)?
    • Waar is het nuttig voor wat ik moet leren? (‘Voor later’ is een veel te ruim en nietszeggend, dus voor velen onbevredigend antwoord.)
    • Wat is het geheel van wat ik hier moet leren?
    • Waar past dat kleine onderdeeltje dat ik nu moet leren, in het geheel?
    • Enz.

Factor 2

De (eind)doelen van het onderwijs zijn lang niet voor alle leerlingen duidelijk. Allerwegen wordt geprobeerd de inhoud van de lessen en de lesmethodes leuk te maken: dit geldt als motiverend. Echter: wij zien dat bij bepaalde leerlingen hierdoor het zicht op het leerdoel verloren gaat. Zij blijken te denken datgene waarmee de methode leuker wordt gemaakt – filmpjes enz., – het doel is, in plaats van een didactisch middel.

Factor 3

Er is te weinig hulp bij leren leren. Leren leren komt tegemoet aan basisbehoefte no. 3 van kinderen, jongeren en volwassenen: competentie. Op school krijg je instructie (uitleg) en vervolgens moet je het geleerde toepassen via opgaven maken. Het eerste doel hierbij is dat de kennis beklijft.

Toch wordt de stap van stampen, in tegenstelling tot vroeger, vaak overgeslagen. Daardoor blijft de stof niet hangen, wat zeer demotiverend werkt (‘ik doe mijn best en het helpt niet’).4


Een belangrijk voorbeeld uit onze praktijk: de tafels van vermenigvuldiging. Veel leerlingen zijn niet in staat die te automatiseren via het maken van opgaven. Wij kennen een uitzonderlijk hoogbegaafde jongen, die na het maken van 750 sommen, zelfs niet één tafel had geautomatiseerd. Daarom leren wij kinderen en jongeren gewoon weer stampen, in basis- en voortgezet onderwijs.5

Factor 4

Als het bovenstaande hoog oploopt en de problemen steeds groter worden, gaan ouders vaak het gesprek aan op school. Wij merken dat zij lang niet altijd serieus genomen worden, laat staan dat er aan hun verzoeken tegemoet gekomen wordt.


Wij vinden dat scholen (goede niet te na gesproken) meer serieus dienen te luisteren naar wat ouders signaleren – en daar de constanten uit dienen te pikken. Dat zijn de factoren die hierboven staan (punt 1 – 3).6

onderpresteren

Creatief (hoog)begaafden en onderpresteren

Er is een specifieke groep leerlingen die in de gevarenzone zit om dit alles mee te maken. Dat zijn de creatief (hoog)begaafden: onze doelgroep. Creatief begaafden zijn associatieve, creatieve denkers. Je hoeft niet handig te zijn met je handen om te creatief begaafd te heten. Creatief begaafden zijn er van ieder IQ.

Creatief begaafden zijn gericht op steeds iets nieuws uitvinden, en dus niet op routines en automatiseren. Leren is in hun ogen zoiets als nieuwe dingen ontdekken. In hun hoofd kunnen zij in principe alles met alles verbinden. Zij denken holistisch, en vanuit het geheel naar de delen. Dus top-down. Creatief begaafden zijn goed in zintuiglijke waarneming. Daarnaast (daardoor?) zijn creatief begaafden vaak gevoelige types. 

Volgens Amerikaans onderzoek door Linda Silverman is 33% van de leerlingen te bestempelen als wat wij creatief begaafd noemen (zij duidt creatief begaafden aan als ‘visual-spatial learners’; de term ‘creatief begaafd’ ontlenen we aan het proefschrift van Joyce Gubbels).Bovenop die 33 % komt nog een groep die zowel analytisch als creatief kan denken; samen is dit volgens haar 63% van alle leerlingen.8

Het tegendeel van creatief begaafd, noemen wij analytisch begaafd. Volgens Silverman denkt slechts 23%(!) puur analytisch. Er is nog een kleine groep die zowel creatief als analytisch kan denken, met voorkeur voor analytisch (reken zelf maar uit hoe groot die is). Voor deze groep – een minderheid – is dus school bij uitstek passend. Voor de overgrote meerderheid, niet.

Op creatief begaafden is school over het algemeen niet ingericht. Anders gezegd: voor hen is het huidige onderwijs meestal niet passend.

Gevolgen van niet-passend onderwijs voor creatief (hoog)begaafden

Dat het onderwijs voor creatief begaafden vaak niet passend is, maakt dat we bij individuele leerlingen vaak het volgende zien:

  1. Door hun gevoeligheid presteren zij minder goed bij onveiligheid in de klas. Dit kan leiden tot onderpresteren.
  2. Doordat de leerstof op school meestal bottom-up wordt aangeboden en doordat saaie stof wordt ‘opgeleukt’, missen zij overzicht. Vaak zijn zij hopeloos verdwaald in de leerstof. Op deze manier de weg kwijt zijn, leidt onherroepelijk tot onderpresteren.
  3. Van nature automatiseren zij minder goed, en de manier van lesgeven helpt daar weinig bij. Vaak met als gevolg: onderpresteren.
  4. Deze leerlingen vinden school ‘stom’ en ‘saai’: het gaat immers niet over ontdekken maar over kennis en vaardigheden automatiseren. Daarom zit deze groep in de gevarenzone om als kleuter al af te haken, weer met als gevolg: onderpresteren. In plaats dat de oorzaak van het onderpresteren wordt aangepakt, belanden deze leerlingen in de Jeugdzorg. Het scenario dat ik beschreef in mijn vorige artikel, komen wij in de praktijk vaak tegen.

Overigens is het gevaar dat dit scenario zich zal ontrollen, het grootst bij creatief hoogbegaafden.9 Dit komt doordat de zijnskenmerken van hoogbegaafdheid bovenop het associatieve, creatieve denken komen. Die zijnskenmerken zijn: de lat automatisch hoog leggen, kritische instelling, groot rechtvaardigheidsgevoel en gevoeligheid.10

Anders gezegd: creatief hoogbegaafden passen niet op school vanwege de zijnskenmerken die horen bij hun IQ en vanwege hun creatieve manier van denken. Om die reden haken zij relatief het vaakst af, met alle gevolgen vandien. Wij menen te zien dat een relatief hoog aantal percentage van de thuiszitters hoogbegaafd is.

onderpresteren

Tot slot

Wij zijn van mening dat onderpresteren, afhaken en schooluitval in hoge mate een probleem zijn van scholen. Er zijn constanten te zien in de redenen waarom leerlingen gedemotiveerd raken en zelfs uitvallen. Dit geldt tevens voor een zeer specifieke groep, die bovendien op school in de meerderheid is: de creatief (hoog)begaafden.

Onze stelling: als scholen hun onderwijs zo zouden inrichten dat het ook passend is voor de creatief (hoog)begaafden, zou veel afhaken, onderpresteren en zelfs schooluitval kunnen worden voorkomen. Tevens zou de druk op de – ook qua budgetten overbelaste – Jeugdzorg drastisch verminderen. In het volgende artikel uit deze reeks ga ik dieper in op wat er naar onze mening zou moeten gebeuren.

Dit artikel is verschenen in Signaal 64, het blad van Pharos, de landelijke vereniging van ouders van hoogbegaafde kinderen. Wat ik beschrijf, zien wij echter bij onze hele doelgroep gebeuren, niet alleen bij hoogbegaafden.

Voetnoten